woensdag 6 december 2017

De beste zanger van Nederland



De beste zanger van Nederland woont al jaren in een rijtjeshuis in het Noordbrabantse Oosterhout. Na een kort verblijf in Amsterdam tijdens de begindagen van Brainbox, keerde Kaz Lux terug naar zijn geboortegrond. Daar kreeg hij op 12 november in Café Oud-Brabant het eerste exemplaar van zijn biografie overhandigd. Hij had al eerdere verzoeken gehad, maar wees die allemaal van de hand, tot Lutgard Mutsaers hem na een optreden bijgewoond te hebben een brief schreef met het verzoek zijn levensverhaal op te mogen tekenen. 

Dat Lux pas op het aanbod van Mutsaers inging, heeft alles te maken met zijn afkeer van de aandacht voor de persoonlijke, meer sensatiebeluste kant van het bestaan van een popmuzikant. Bij Mutsaers was hij verzekerd van een gedegen, wetenschappelijke beschrijving van zijn muzikale leven. Verwacht dan ook geen gedetailleerde uiteenzetting van allerlei uitspattingen, drank, drugs en ruzies, maar een in de muziekgeschiedenis geplaatst verhaal van de artistieke ontwikkelingen en keuzes die Lux in zijn inmiddels 50-jarige muzikantenbestaan gemaakt heeft. Dit gebeurt aan de hand van citaten van Lux, afgewisseld met een kort overzicht van de ontwikkelingen in de popmuziek in de periode waar het citaat betrekking op heeft en delen uit interviews en recensies uit het verleden die Mutsaers opdook.

Het begon allemaal een halve eeuw geleden met het winnen van de personality prijs bij een talentenjacht. Een jaar later, in 1968, wint Lux met zijn nieuwe band Impulse! (een verwijzing naar het invloedrijke Amerikaanse jazzlabel uit die tijd) een andere talentenjacht. Lux heeft dan de nummers Down Man, Cruel Train en Woman’s Gone al geschreven. Alle geïnspireerd op zijn liefje Mary, die hij zo mist als hij van huis is. De eerste prijs is het opnemen van een single. De opnames worden echter afgekeurd, maar Bovema wil wel verder met Lux als solo-artiest. Down Man en Cruel Train worden niet lang daarna opnieuw opgenomen, maar dan met een aantal sessiemuzikanten, waaronder gitaarwonder Jan Akkerman en drummer Pierre van der Linden. Brainbox is een feit! Het vervolg van Brainbox mag als bekend worden verondersteld, er volgt een lp, Akkerman vertrekt, Rudi de Queljoe vervangt hem. Er volgen nog een stel singles en de band houdt er mee op. Manager John van Setten is eigenaar van de bandnaam en probeert er nog op in te cashen door een bijna geheel nieuwe band, alleen drummer Frans Smit zat in de vorige versie, een lp te laten maken, maar dat levert niets op. Al is de band in de oorspronkelijke samenstelling amper een jaar actief geweest, ze zijn een wezenlijk onderdeel van de vaderlandse popgeschiedenis. De bluesy nummers, door Akkerman voorzien van spetterende gitaarpartijen, in combinatie met de soulvolle stem van Lux, hebben de tand des tijds moeiteloos doorstaan. Dark Rose is een Nederpopklassieker.



Lux gaat daarna zijn eigen weg, al zal Jan Akkerman zijn pad nog met enige regelmaat kruisen. De samenwerking op Eli levert Lux zijn enige gouden plaat op. Al relativeert hij dat zelf direct door te zeggen dat dat alleen maar komt omdat precies op dat moment de grens voor goud was verlaagd van 50.000 naar 25.000 verkochte exemplaren. Zijn solocarrière komt nooit echt van de grond, al is een aantal van zijn soloplaten zeker de moeite waard. Maar je krijgt niet het idee dat Lux daar echt mee zit, hij is meestal al weer met een volgend project bezig. Hij is er de man ook niet naar om bij anderen aan te kloppen voor samenwerking, maar neemt meestal een afwachtende houding aan en wacht tot hij gevraagd wordt. En gezien zijn status, kan hij altijd terugvallen op een keur aan muzikanten die graag met hem samenwerken. Lux blijkt bovendien iemand die niet aan een bepaald genre vasthoudt. Hij houdt er niet van eindeloos op dezelfde weg door te gaan, maar heeft na twee platen meestal weer zin een nieuwe afslag te nemen. Zijn oeuvre bevat dan ook aardig wat genres, van fusion, folk, blues, soul, eighties rock tot, tegenwoordig, Americana.

Bij het boek zit een cd met vier nummers die Lux in Brussel opnam met Jean-Marie Aerts, gitarist en producer bij T.C. Matic en  Arno Hintjes. De opnames dateren uit 1984 en 1986, het jaar dat hij de achtergrondvocalen op Forget the Cold Sweat van Arno Hintjens inzong. Het moet geklikt hebben tussen de band van Arno en Lux, want het speelplezier straalt er vanaf. De stem van Lux blijkt opvallend goed aan te sluiten bij de kenmerkende Vlaamse eighties rock. Maar om de een of andere reden belandden de opnames op de plank en worden pas na lang speurwerk van Mutsaers teruggevonden en door Aerts opgepoetst. Onbegrijpelijk dat dit nooit eerder is uitgebracht, Lux had er een hele nieuw publiek mee aan kunnen boren. Maar hij is er de man niet naar om in wrok achterom te kijken. Met de blik vooruit was hij alweer met een volgend project bezig.

Kaz Lux blijkt wars van alle verering en aandacht die het liefst in de luwte zijn eigen gang gaat. Het boek maakt duidelijk dat het Lux bepaald niet altijd voor de wind is gegaan. Hij had na het uiteenvallen van Brainbox last van depressies en bleek in de jaren negentig behoorlijke gehoorschade te hebben opgelopen. Het kenmerkt hem dat hij niet bij de pakken neer gaat zitten, maar altijd doorgaat. Met de huidige technische mogelijkheden kan hij thuis eindeloos aan zijn nummers knutselen, wanneer het hem uitkomt. Dicht bij zijn grote liefde Mary. Hij is waarschijnlijk ook de popmuzikant met het langst durende huwelijk. Kijk naar het filmpje van de top 2000 uit 2014 op You Tube over Dark Rose, dat is Lux ten voeten uit, thuis met een shaggie op de bank, nog steeds verliefd lachend naar zijn Mary.


Met deze biografie krijgt Lux de plek die hij in de Nederlandse popgeschiedenis verdient en dat is niet ergens aan de zijkant, maar midden in het spotlicht. Lezen dat boek en trek dan ook de Brainboxplaten weer eens uit de kast en geniet van zijn solowerk.

Lutgard Mutsaers: Kaz Lux. Rock-adel verplicht
In de Knipscheer
Prijs: 25 euro

Verschenen in: Platenblad 232, 2 december 2017 t/m 26 januari 2018

maandag 4 december 2017

Platenzaakstickers #298





Fa. Radio Boonstra
Tel. 1494
Surhuisterveen

Op label, Egbert Douwe, 7", Mamma, Oh Mamma, Philips 334 500 JF (Nederland, 1968)

De schrik van elke platenverzamelaar, deze plakbandsticker. Gelukkig was de heer Boonstra in dit geval nog zo aardig om hem niet op het hoesje maar op het label te plakken. Deze valt weer in de categorie radiowinkels, waar ook vinyl werd verkocht.

Zoals uit onderstaande advertentie in De Feanster van 30 december 1970 blijkt, zat Radio Boonstra aanvankelijk aan de Kolk 18. Behalve radio's werden er ook televisietoestellen en wasmachines verkocht en beschikte de winkel over een eigen technische dienst. Later zal de winkel verhuizen naar de Gedempte Vaart 2, iets verderop aan dezelfde straat aan de overkant. Dat had waarschijnlijk te maken met een uitbreiding in het assortiment, de winkel heet dan inmiddels Disc Radio Boonstra. Gezien de toevoeging Disc moet dat ergens in de jaren tachtig zijn geweest, na de komst van de CD. Het duidt er tevens op dat die geluidsdragers een groter aandeel in het handelswaar van Boonstra innam dan daarvoor.

Met dank aan 'Frommel' die deze single op een platenbeurs in Groningen aanschafte.

Inmiddels is Boonstra ook uit het straatbeeld van Surhuisterveen verdwenen. Op de plaats waar de winkel aan de Gedempte Vaart zat, zat nog een tijdje de Akte-Shop, maar zoals met een vergrootglas op onderstaande foto is te zien, stond die een tijd geleden ook te koop.



zaterdag 2 december 2017

LP top 10 1987

Vandaag viel het Platenblad met de lijstjes van 1987 op mat, dus de Replacements nog maar eens opgezet!




1. The Replacements – Pleased To Meet Me
2. Opal – Happy Nightmare Baby
3. Claw Boys Claw – Crack My Nut
4. Spacemen 3 – The Perfect Prescription
5. The Jesus & Mary Chain – Darklands
6. Green On Red – The Killer Inside Me
7. The Cult – Electric
8. Guns n’ Roses – Appetite For Destruction
9. The Gun Club – Mother Juno
10. The Screaming Trees – Even If And Especially When

Een goed gitaarjaar, 1987! De plaat die er het lekkerste inhakt is zonder twijfel Pleased To Meet Me van The Replacements. De adrenaline druipt er vanaf. Het begint al direct goed met I.O.U. en gaat zo, met een kleine adempauze in Nightclub Jitters, door om op het laatst weer even gas terug te nemen in Can’t Hardly Wait. De naamgever van het nummer Alex Chilton, speelt zelf ook nog een riedeltje mee op die afsluiter en levert zelf in 1987 het onsamenhangende en krakkemikkige High Priest af. Pleased To Meet Me bevat bovendien de eerste op vinyl vastgelegde gitaarpartijen van de zoon van producer Jim Dickinson, Luther, op Shooting Dirty Pool. Kurt Cobain moet deze plaat wel gehoord hebben, want de titel van de opener van kant 2, Never Mind, kan niet alleen toevallig de titel van de tweede plaat van Nirvana zijn, ook de zang toont opvallend veel overeenkomsten. Dickinson wist de juiste sfeer te creëren om dit stelletje dronkenlappen tot een optimale prestatie aan te zetten.

Opal, het samenwerkingsverband van ex-Rain Parade gitarist en zanger David Roback en ex-Dream Syndicate bassiste Kendra Smith, is een stuk ingetogener, maar met een even prominente rol voor de gitaar. Is kant 1 in de Marc Bolan-/T Rexstijl, op kant 2 ontwikkelt de band meer een eigen geluid dat af en toe naar stonerrock  neigt dan weer valslijk lief klinkt, zoals op de titelsong. Het is de enige officiële langspeler van de band. Later verschijnt er nog wel een verzamelaar met singles en onuitgebracht materiaal. Laat ontdekt maar zeer de moeite waard.

Claw Boys Claw trekt de stijgende lijn van voorgaande platen door en komt met een lp waarvan het speelplezier en de vette gitaarriffs afknallen. Te Bos zingt en schreeuwt dat het een lieve lust is, terwijl Cameron los gaat op de stuwende ritmesectie Bobbie Rosini en Marius Schrader. De toon wordt direct gezet met het opzwepende Teenage Heart Attack en zo doorgetrokken tot Gimme a Break. Ook live was de band dat jaar op een hoogtepunt, een genot om te aanschouwen. 

Spacemen 3 staat pas sinds dit jaar in de platenkast. Perfect Prescription verschilt hemelsbreed van de voorganger. De opener ligt nog in het verlengde, maar daarna gaat het tempo omlaag en beland je in een soort trance. Niet verwonderlijk, aangezien deze conceptelpee een drugservaring beschrijft en dat is de heren zo te horen goed bevallen. Hetzelfde geldt voor de tweede van The Jesus and Mary Chain. Zo hard als ze op de eerste lp te keer gingen, zo rustig begint Darklands om pas bij het derde nummer, het prachtige Happy When it Rains de versterkers richting 10 te draaien.

Op 6 de opvolger van No Free Lunch Today van Green on Red. Na het productieve voorafgaande jaar waarin tevens Gas Food Lodging verscheen, de moeilijke taak om minimaal aan de kwaliteit van de voorgangers te voldoen. Dat is zeker gelukt, mede dankzij, net als bij The Replacements, de rol van Jim Dickinson als producer. Chuck Prophet eist de aandacht meer op dan op de voorgangers en dat komt het groepsgeluid zeker ten goede. Dan Stuart snauwt er weer lekker zeurdiger en klagerig op los. Er deugt weinig van het leven en de wereld en veel beter lijkt het allemaal ook niet te worden, lijkt de algemene boodschap.

Voor het betere hardrockwerk moet je in 1987 bij The Cult en Guns n’ Roses zijn. The Cult heeft zich langzaam uit de alternatieve gitaarhoek, waar ze ten tijde van The Southern Death Cult, nog in zaten, opgewerkt tot een geoliede krachtmachine. Dat is niet in de laatste plaats te danken aan de heerlijke gitaarsalvo’s van Billy Duffy. Zanger Ian Ashbury schetst in zijn teksten mythische taferelen, schuwt de actualiteit niet in Peace Dog en sluit menige zin af met een heerlijk gesnauwd Yeah. En het mooiste is dat het beste nog moet komen. Guns n’ Roses sluit daar op hun debuut perfect bij aan, al hoor je de hardrockinvloeden hier beter in terug. Ook hier weer een lekkere opener, Welcome to the Jungle, die nauwelijks meer te overtreffen is. Het blijft toch prachtig hoe het genre zich telkens dankzij een paar jonge honden weer opnieuw weet uit te vinden.

Na een kort, minder geslaagd soloavontuur, heeft Jeffrey Lee Pierce The Gun Club weer nieuw leven ingeblazen samen met Kid Congo Powers. Mother Juno haalt het dan niet bij de voorganger The Las Vegas Story maar is toch weer een typische Gun Clubplaat, die de moeite waard is. Helaas de laatste, want daarna verzandt het allemaal.

1987 was ook het jaar van het debuut van The Screaming Trees. Het zal voor het laatst zijn dat we Mark Lanegan horen lachen tijdens een nummer, maar Grunge kondigt zich aan en zal mede dankzij deze plaat en het debuut van Soundgarden uit hetzelfde jaar een plaats als afzonderlijk genre weten te veroveren. Dat zal ook Neil Young weer uit zijn electronicaslaap wakker maken. Life bevat al wel weer aardig wat kenmerkende gitaarsolo’s van de oude dinosaurus, maar de synthesizerlaag die er overheen ligt, verpest het grotendeels. The Screaming Trees verdrongen met nipt verschil de eerste langspeler van de Zweedse Nomads van de laatste plaats, maar Hardware kent toch net iets te weinig afwisseling, al is de door J.L. Pierce geschreven opener Call off your Dogs een instant klassieker. De opvolgers van countryjongehonden Dwight Yoakam en Steve Earle hebben de jaren niet overleefd, al blijven het leuke platen. Mooiste single van 1987 is Alone van Heart.


woensdag 29 november 2017

Platenzaakstickers #297

Fonoplaten
Discosol
Tel. 014/45799
Otterstraat 63
Turnhout

Op voorzijde hoes, Chris Hodge, 7", We're On Our Way, Apple 2C 006-93 568 (Frankrijk, 1972)

Net over de grens tussen Breda en Tilburg was ooit in het Vlaamse Turnhout Discosol te vinden. Een typische sticker volgens de klassieke opmaak: zwarte letters op een goudkleurige achtergrond, waarbij de naam in cursieve letter, het handelswaar vet en de adresgegevens in de reguliere letter.

In Vlaanderen noemde men grammofoonplaten dus ook wel fonoplaten, waarbij fono verwijst naar phonos, dat geluid betekent. En dat is natuurlijk precies wat het is, een plaat met daarop geluid. Ook de andere platenzaaksticker uit Turnhout is van een handel in fonoplaten en ook daar komt disco in de naam terug: Musica Fonoplaten Disco-Club

Een zoektocht naar discosol op het internet levert niets op, behalve nog een andere sticker van deze winkel op instagram.


Helaas staat er niet bij op welke plaat deze sticker zat, maar gezien de uitbreiding van het telefoonnummer zal dit een latere sticker zijn. In Vlaanderen werd er dus niet een cijfer voor het bestaande nummer gezet, maar voegde men die na het eerste nummer van de aansluiting toe.

Vraag blijft natuurlijk waar de naam van de winkel vandaan komt. Verwees die naar de plaat als zonnetje in huis of naar de muzieknoot sol?

Met dank aan Jeroen Vedder die me de eerste sticker stuurde.


zondag 19 november 2017

Platenzaakstickers #296



Muziekhandel 'De Blokhut'
Grote Kerkstraat 3 - Steenbergen
Noordhaven 118 - Zevenbergen

Op voorzijde hoes, Fats Domino, LP, 20 Greatest Hits, United Artists Records 5C 062-97905 (Nederland, 1976)

Dat je in de jaren zeventig zo ongeveer in elke Nederlandse plaats vinyl kon kopen, bewijst deze sticker. Ook in de Westbrabantse plaatsen Steenbergen en Zevenbergen was dat mogelijk in de winkels van Johnny Goverde, beter bekend onder zijn artiestennaam Jan Boezeroen. Zoals de naam muziekhandel al aangeeft, kon je er ook terecht voor muziekinstrumenten.

Op de website westpoint valt het volgende te lezen over de winkels van Boezeroen. Hij opende in 1964 de winkel in Steenbergen, waar hij destijds woonde. De bedoeling was om 'in alle kleinere Westbrabantse steden met een platenspeciaalzaak te zitten'. In 1965 was de tweede zaak een feit, in zijn geboorteplaats Zevenbergen. Opvallend is dat Boezeroen de winkels voornamelijk als een zakelijke activiteit zag, hij had geen affiniteit met engelstalige muziek of met de top 40. Een goede vriend adviseerde hem bij zijn inkoop en schreef voor de lokale krant wekelijks de rubriek 'Generation', met daarin de Steenbergse top tien.

Op westpoint staat ook onderstaande foto van de opening van de winkel in Steenbergen.

 v.l.n.r. Jan Boezeroen, Rob de Nijs en Toos Goverde

In 1974 deed hij beide zaken over aan Bas Opmeer. 'De keus was niet moeilijk' zo vertelt Boezeroen. 'De winkels waren interessant, maar het werk als Boezeroen en het productiewerk leverden meer op; meer voldoening en meer geld.' Er zijn in dit blog al meer artiesten langs gekomen die een platenzaak begonnen, zoals George Baker met zijn disco shop in Hoorn

De sticker van 'De Blokhut' dateert uit de tijd dat Boezeroen de winkels al van de hand had gedaan. Wellicht dat Opmeer nog tot ergens in de jaren tachtig door is gegaan, maar inmiddels zijn beide blokhutten uit de stadsgezichten verdwenen. 

woensdag 8 november 2017

Platenzaakstickers #295

Grammophonehouse
R. Taalman
Hulst
Gentsestraat 34
Tel. 01140-3980

Op voorzijde hoes, Jim Reeves, LP, The Country Side of Jim Reeves, RCA Camden CDS 1000 (Verenigd Koninkrijk, 196?)

Wederom een voorbeeld van de klassieke platenzaaksticker, deze inzending van Jeroen Vedder. Zwarte belettering tegen een goudkleurige achtergrond op een sierlijke vorm die onder en boven omgekeerd weerspiegeld is en laten we het accentuerende zwarte randje niet vergeten. De naam van de winkel duidt er op dat Taalman uitsluitend vinyl in huis had. Gokte hij met de winkelnaam op een internationaal publiek?

Veel is er niet over de winkel te vinden, behalve een artikeltje in de Provinciale Zeeuwse Courant van 27 april 1982. Goed nieuws was het niet. Op zondagavond 25 april was er brand in de winkel ontstaan en was de gehele benedenverdieping uitgebrand en was er op de eerste verdieping veel rook- en waterschade. En dat allemaal omdat er een versterker aan was blijven staan, waar kortsluiting in ontstond. Of de heer Taalman de draad weer opgepakt heeft, wordt niet duidelijk. Hij moet in ieder geval danig aangedaan zijn, aangezien hij niet voor commentaar beschikbaar was.


Uit het artikel is in ieder geval af te leiden dat het hier niet zo maar een platenzaakje betrof, maar dat er zo waar twee verdiepingen met vinyl waren.

Concurrentie kreeg Taalman vooral van Fonobar Neelemans, die ook in het oude centrum zat, en later van de Free Record Shop die een filiaal op nummer 4 van de Gentsestraat had. Het is echter ook mogelijk dat die pas gekomen na de brand bij Taalman om het door de brand ontstane gat te vullen.

vrijdag 3 november 2017

Vetkuif in een kippenhok


Na een stilte eind jaren zestig, was Link Wray begin jaren zeventig weer behoorlijk productief. Voor veel fans van zijn rock’n’roll instrumentals zal het echter even wennen zijn geweest. In een tot studio verbouwd kippenhok met slechts een 3-track recorder werden twee platen opgenomen: Link Wray en Mordicai Jones. Het rest materiaal verscheen later op Beans and Fatback. Vervolgens werd het kippenhok omgeruild voor een reguliere studio, wat Be What You Want To opleverde. Alle vier de lp’s zijn afgelopen jaar opnieuw op vinyl uitgebracht.

Wray trok zich halverwege de jaren zestig terug uit de muziekwereld. Zijn platenmaatschappij verwachtte dat hij hits in de stijl van Duane Eddy schreef, maar daar had Wray snel genoeg van. Het bloed kruipt echter waar het niet gaan kan. En zo begon Wray samen met zijn broers Vernon en Doug en een aantal sessiemuzikanten nummers op te nemen in een verbouwd kippenhok bij Vernon. Een soort back to my roots bleek het te zijn. Ooit was Wray met zijn beide broers begonnen in een country & western bandje. Vernon nam de zang voor zijn rekening, Doug drumde en Link verzorgde de gitaarpartijen, soms bijgestaan door een pedal steel.  Dat was in de jaren veertig.
Na een onderbreking vanwege dienstplicht – Wray diende in Duitsland en Korea – en een behandeling voor tuberculose, waarbij een long werd weggenomen, brak hij in 1958 door met Rumble. Inmiddels was Link de frontman en waren zijn broers zijn begeleidingsband, The Raymen. Rumble was voor velen de eerste kennismaking met vervormd gitaarspel en wordt door onder andere Jimmy Page aangehaald als dé grote inspiratie om zelf te gaan spelen. Na een korte verbintenis bij  Cadence Records, kreeg Wray een contract aangeboden door Epic, waar hij vooral instrumentals in het verlengde van Rumble maakte. Epic verlangde echter dat Wray ook wat minder ruig materiaal opnam, in de stijl van de toen succesvolle Duane Eddy. Ontevreden met deze koers besloten de broers dan maar zelf op te gaan nemen. Van 1963 tot 1967 bracht Swan Records bijna alles uit wat de Wrays opnamen. Meestal rauwe, agressieve instrumentals in het verlengde van Rumble, soms met vocalen van Link. 

Toen Swan in 1967 ophield te bestaan, vertrokken de broers naar het platteland. Vernon kocht een boerderij in Maryland, Washington. Link trok bij hem in. Hij lag in scheiding met zijn eerste vrouw en bracht het grootste deel van zijn tijd werkend op de boerderij door. Muziek werd er natuurlijk ook gemaakt. Eerst in het huis van Vernon, maar vanwege de overlast die dit voor de andere inwoners veroorzaakte, in een tot studio verbouwd kippenhok op het terrein. Een deel van de eerste opnames verschenen op de lp Yesterday and Today. Platenmaatschappij Polydor zag er wel wat in en bood Link een contract aan voor een aantal lp’s.


De eerste plaat die Link Wray voor Polydor maakte was Link Wray, met op de hoes Wray, wiens moeder tot de Shawneestam behoorde, in traditionele Shawnee outfit. Een grotere breuk met de vetkuif uit de jaren vijftig en zestig is ondenkbaar. De hoes maakt al direct duidelijk dat Wray een andere muzikale richting had gekozen. Op de plaat wisselen country, blues, soul en gospel elkaar soepel af en Wray toont in het merendeel van de teksten zijn maatschappelijke betrokkenheid. In Ice People neemt hij het op voor degenen die in de Verenigde Staten aan de onderkant van de maatschappij zijn beland: indianen in reservaten, zwarten in ghetto’s en ook de arme blanken. Het gitaarspel is rauw, gruizig en heerlijk misvormd.
Tijdens de opnames schijnt de versterker van Wray alle andere instrumenten te overstemmen en lekt het onder andere in de drumopnames. Daarop besluit Vernon Link’s versterker buiten te zetten en met een microfoon in het raam op te nemen. De krakkemikkigheid van de opnames is de grote charme van de plaat. Een drumstel is niet altijd aanwezig, waardoor gestamp op de vloer en bussen met spijkers de enige percussie vormen. De piano blijkt niet te stemmen, waardoor de andere instrumenten op de piano afgestemd worden. Het speelplezier straalt van de plaat af. Link Wray is samen met co-producer Steve Verroca (onder naam van zijn vrouw Yvonne) verantwoordelijk voor de meeste composities. Een minder nummer kent de plaat niet, die nog het meest doet denken aan de Stones ten tijde van Exile on Main Street. Hoogtepunten zijn Fallin’Rain, Fire and Brimstone en Black River Swamp, waarin Wray verhaalt van de streek waar hij opgroeide. Je staat er versteld van wat voor uithalen en schreeuwen Link Wray uit zijn ene resterende long weet te persen.


Na deze plaat die hij onder zijn eigen naam uitbracht, verscheen Mordicai Jones. Op de hoes is de mysterieuze Mordicai Jones vermeld als leadzanger, pianist, mandolinespeler. Er wordt beweerd dat Polydor achter de vervanging van Link Wray als leadzanger zat. Een zet uit pure commerciële overwegingen, meestal niet de beste reden om zoiets te doen. Aanvankelijk werd Bobby Howard, die ook op Link Wray meedeed, aangewezen als de man die achter deze naam schuil ging. Later wordt naar Gene Johnson, die achtergrondvocalen op de eerste plaat deed, gewezen. Johnson heeft een nogal hardrockerige stem en dat is in het beste geval even wennen en soms zelfs irritant. Zeker na de prachtige doorleefde stem van Wray zelf op de eerste Three Track Shackplaat. De composities liggen in de directe lijn van die plaat. Met name op de rustigere nummers is de stem van Johnson nog wel te doen. Maar zodra het wat ruiger wordt, neigt het wel erg naar stadionrock. 


De restjes van de opnames voor deze twee platen, verschenen later onder de naam Beans and Fatback. Link en Vernon hadden een meningsverschil over geld gekregen, waarop de band uit elkaar viel. Producer Verroca nam de overgebleven opnames mee naar zijn nieuwe werkgever Virgin, die het tot groot ongenoegen van Wray uitbracht. Het is zeker geen slechte plaat, maar het is goed te horen waarom deze nummers de eerdere twee platen niet haalden. Sommige, zoals de opener Beans and Fatback en Hobo Man worden abrupt afgebroken. Andere nummers zijn overduidelijk jamsessies om warm te draaien. De vocalen zijn dan gelukkig weer wel van Wray zelf. En in I’m So Glad en Backwoods Preacher Man heeft de lp twee schitterende songs, maar over het geheel haalt hij het geenszins bij de eerste plaat. Onmisbaar voor de verzamelaar die wil horen wat er aan de andere twee platen ten grondslag ligt, maar het is duidelijk waarom het meeste materiaal niet op eerdere releases terecht is gekomen.


Na deze kippenhokplaten trok Wray weer een reguliere studio in om Be What You Want To op te nemen. De plaat, geproduceerd door Thom Jefferson Kaye, klinkt dan ook een stuk gepolijster dan zijn voorgangers, maar ligt tegelijkertijd het meest in het verlengde van Link Wray. Met name de gastbijdragen van Jerry Garcia op pedal steel tillen de nummers naar een hoger niveau. Zo is de remake van Walking in the Arizona Sun van de Mordicai Jones lp onder de titel Tucson Arizona van een wonderlijke schoonheid. De zang van Wray zelf klinkt veel minder geforceerd dan de krachtpatserij van Johnson. Het maakt toch wel erg benieuwd hoe Mordicai Jones geklonken zou hebben, had Polydor niet ingegrepen. Bij elkaar laten de vier platen horen wat Wray in drie jaar tijd aan prachtig, maar helaas ondergewaardeerd, werk heeft afgeleverd. Polydor was in ieder geval ontevreden over de verkoopcijfers, en stuurde Wray op de volgende plaat, The Link Wray Rumble, weer terug naar zijn rock ‘n’ roll periode. Het bleek de laatste voor Polydor te zijn. Bij het grote publiek werd Wray niet lang daarna bekend van de hit Red Hot, die hij met zanger Robert Gordon opnam. 

De heruitgebrachte platen waren, mede omdat ze aanvankelijk niet goed verkochten, moeilijk te krijgen. Liefhebbers gaven er hoog van op, wat er toe leidde dat deze vier rootsplaten van Link Wray afgelopen jaar opnieuw werden uitgegeven. Wie ze aan wil schaffen is echter bijna net zoveel kwijt als voor de oorspronkelijke persingen. Dat ze zo aan de prijs zijn, schijnt vooral te maken te hebben met de ingewikkelde distributiekanalen vanuit de Verenigde Staten. Rush Hour aan de Amsterdamse Spuistraat krijgt ze rechtstreeks uit de VS, waardoor ze daar nog enigszins te betalen zijn. Zoals je voor de prijs mag verwachten is de uitvoering van de platen prachtig, zo is de eerste lp in de originele diecut hoes uitgebracht, en zijn ze vanzelfsprekend voorzien van inlays met de nodige achtergrondinformatie. Voor wie vanwege een krappere beurs een keuze moet maken, is de eerste plaat de beste keuze, gevolgd door Be What You Want To. Al is de kans groot, dat als die bevallen, ook de andere twee in de platenkast belanden. 



Link Wray – Link Wray (Future Days Recordings)
Mordicai Jones – Mordicai Jones (Tidal Waves Music)
Link Wray – Beans and Fatback (Tidal Waves Music)
Link Wray – Be What You Want To (Tidal Waves Music)

Verschenen in Platenblad, nr. 231, 21 oktober t/m 1 december 2017